Op de website van het juridische magazine Mr., is een interessante beschouwing over de toepassing door rechters van een huurkortingformule in coronatijd te vinden. Na tientallen kortgedinguitspraken, waarin reeds een bepaalde lijn was te ontwaren, zijn de eerste bodemuitspraken gepubliceerd in zaken waarin de huurder vanwege coronamaatregelen huurprijsvermindering vordert. Zo ging de rechtbank Amsterdam uit van het principe dat de schade gelijkelijk over huurder en verhuurder wordt verdeeld en stelde dat 100% omzetverlies leidt tot een huurkorting van 50%. De rechtbank Den Haag kwam tot een huurkorting van 50% over de verplichte horecasluitingsperiode en van 25% over de resterende periode (waarin andere beperkingen golden) (ECLI:NL:RBDHA:2021:461). 

Het voorgaande is natuurlijk sympathiek jegens de huurder, maar hoe zit het dan met de verhuurder? Daar was dan de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2021:479), die op 2 februari 2021 in kort geding oordeelde dat bij het bepalen van de korting zowel rekening moet worden gehouden met de door huurder ontvangen financiële overheidscompensatie als met de belangen van de verhuurder.

De schrijvers van dit artikel noteren daarbij een drietal aandachtspunten. 

1. Er lijkt weinig aandacht voor de belangen van de verhuurder; die spelen echter ook een rol bij de beoordeling in hoeverre ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag worden verwacht.

2. Het komt zorgvuldiger voor om uit te gaan van winstdaling in plaats van omzetdaling; verschillende huurders besparen kosten in coronatijd en overheidscompensaties zouden ook moeten meewegen.

3. Eenzijdige besluiten om de huur niet (volledig te) voldoen, worden regelmatig gesanctioneerd (contractuele boete / ontbinding huurovereenkomst), zeker bij een in het verleden al getoonde bedenkelijke betalingsmoraal.